Doping Academy

Onafhankelijk kennis- en informatiecentrum doping

     De columns van de Doping Academy verhuizen naar deze plaats. |      De nog niet verhuisde columns van de Doping Academy vindt u hier. |
nl NL en EN
(Leestijd: 5 - 10 minuten)
[201] 

Home | Terug

Tennisser Rafael Nadal is de onterechte dopingbeschuldigingen aan zijn adres zat. Hij sleept de Franse minister van Gezondheid en sport voor de rechter. Ook wil hij alle gegevens van zijn dopingtests openbaar maken en pleit voor meer dopingtests, beiden met als doel aan te tonen dat hij niets te verbergen heeft. Klopt die redenering? Ik schreef daarover in de NRC van 9 mei 2016.

Introductie

Rafael Nadal 200px
Rafael Nadal 

In de NRC van 28 april kondigt Rafael Nadal aan dat hij het na tien jaar onterechte beschuldigingen voor dopinggebruik zat is. Hij gaf zijn advocaat opdracht om Roselyne Bachelot, de Franse Minister van gezondheid en sport, aan te klagen wegens ongefundeerde dopingbeschuldigingen. Ook stelt de Spanjaard voor zijn resultaten van tien jaar dopingtests openbaar te maken en hij pleit voor meer dopingcontroles. Wat betreft zijn actie tegen de Franse minister was mijn reactie, eindelijk. Eindelijk een atleet die dit aandurft. Ik hoop dat er velen volgen. Over Nadals andere voorstellen ben ik minder enthousiast, hoewel ik ze wel begrijp.

Als al zijn testgegevens openbaar worden, is het wachten tot een ‘pseudodeskundige’ er een patroon in vindt dat Nadals dopinggebruik ‘bewijst’. Ik heb de laatste jaren veel van dit soort ogenschijnlijk juiste pseudobewijzen gezien. Gelovigen kunnen hardnekkig zijn in het verzamelen van ‘bewijs’. En, bij meer controles neemt de kans op meer betrapte gebruikers niet of nauwelijks toe, die is al vrijwel maximaal. Maar met iedere extra controle neemt wel de kans op een valse beschuldiging voor dopinggebruik evenredig toe.

De perfecte test bestaat niet

Het probleem is dat perfecte tests niet bestaan. Het maakt daarbij niet uit of het gaat om bijvoorbeeld landelijk borstonderzoek bij vrouwen of om dopingtests. Er ontstaat altijd een percentage fout positieve en fout negatieve testresultaten. Hoe groot dat percentage is, is afhankelijk van de validiteit van de test: de mate waarin die test meet wat ze beoogt te meten. Stel dat een test 0,1 procent op fout positieven geeft (niet-gebruikt/geen borstkanker - toch positief). Bij iedere nieuw test is die kans op een fout positieve steeds weer volledig van toepassing. Na tien tests is de kans op een valse beschuldiging/foute kankerdiagnose dan 10 x 0,1% = 1%, na 50 tests is dat 5% en na 100 tests 10%. Kortom, als we maar vaak genoeg testen wordt iedere atleet een keer vals beschuldigd voor dopinggebruik en krijgt iedere vrouw een keer de diagnose borstkanker. (zie ook hier)


Met iedere extra dopingcontrole neemt  de kans op een valse beschuldiging voor dopinggebruik evenredig toe


Enige tijd geleden heb ik geprobeerd de validiteit van dopingtests te achterhalen. Dat is niet gelukt. Bij een gunstige validiteit, zouden de dopinglaboratoria die informatie, naar ik verwacht, wel vrijgeven. Betekent het achterhouden van deze essentiële informatie voor het beoordelen van tests dat die validiteiten zwak zijn en daarmee de kans op valse beschuldigingen hoog? Of kennen de dopinglaboratoria het begrip validiteit niet? Dat laatste kan ik me bijna niet voorstellen, maar sommige reacties leken hierop wel te wijzen. Ik weet niet wat erger is, slechte validiteiten of onkunde.

Psychologen gebruiken gevalideerde tests, waarvan de validiteiten openbaar zijn en beschreven in de COTAN. Ik pleit ervoor dat ook de validiteiten van dopingtests eveneens openbaar worden, zodat beoordeeld kan worden hoe groot de kans op fouten in de tests is. Ik vermoed dat we schrikken.

Ik besprak hiervoor alleen de fout positieven (niet gebruikt - wel gepakt). De fout negatieven (wel gebruikt – niet gepakt) spelen in bovenstaande discussie geen rol. De dopingautoriteiten streven echter naar zo min mogelijk fout negatieven. De testtheorie voorspelt echter dat naarmate we streven naar minder atleten die de dans ontspringen (fout negatieven), dat, bij een onveranderde validiteit, onverbrekelijk samengaat met een toenemend aantal valse beschuldigingen (fout positieven), met alle gevolgen van dien (zie ook hier)

Tot slot, bij borstkankeronderzoek streven we ook naar zo min mogelijk fout negatieven, waardoor meer vrouwen onterecht de diagnose borstkanker krijgen (fout positief). Dat is vervelend, maar dat wordt bij vervolgonderzoek rechtgetrokken. Veel vervelender is het wel borstkanker te hebben, terwijl dat onopgemerkt bleef (fout negatief).

Samengevat: Nadal voorstel om al zijn testgegevens openbaar te maken en meer dopingtests te ondergaan om zo zijn onschuld t.a.v. dopinggebruik aan te tonen is begrijpbaar, maar onjuist. Het zal de beschuldigingen eerder versterken en zal eerder tot een vals positieve dopingtest leiden.

Reacties

De reacties op boverengenoemd artikel

Harry Suykerbuyk (niet-BIG geregistreerde) apotheker schrijft in de NRC van 14 mei 2016

Het huidige antidopingbeleid roept meer en meer vragen op. Dopingpsycholoog Bram Brouwer trekt die conclusie (nog) niet (9/5). Wel legt hij uit dat de minieme kans op een vals-positieve uitslag in een afzonderlijke test niet verhindert dat onschuldige sporters zogenaamd op doping worden betrapt, wanneer zij maar voortdurend worden getest. Zo’n manco in de statistische bewijsbaarheid is moeilijk te verteren, juist waar de sanctie vaak een Berufsverbot is.

Een ander zorgelijk aspect waaraan de dopingautoriteiten gemakshalve voorbijgaan, is de (klinisch-)farmacologische onderbouwing van de prestatiebevorderende eigenschappen van op de verbodslijst geplaatste dopingmiddelen. Feit is dat van veel middelen het wetenschappelijk bewijs ontbreekt, of het nu epo is of meldonium. Voordat een geneesmiddel tot de markt wordt toegelaten, moet de werkzaamheid worden aangetoond met onderzoeken die de stand van wetenschap weerspiegelen. Dat blijkt vaak een moeilijke of onmogelijke opgave, temeer daar placebo-effecten het beeld vertroebelen. Bij dopingmiddelen speelt dat kennelijk niet, de dopingjagers hoor je er in ieder geval niet over.

In wetenschappelijke kring bestaat echter twijfel. Onderzoek van prof. A. Cohen naar de mogelijke onwerkzaamheid van epo als dopingmiddel moet duidelijkheid scheppen. Mocht het bewijs op tafel komen, dan is herijking van het antidopingbeleid op alle fronten onvermijdelijk.

In een email via de NRC redactie reageert A.G. Geerlink uit Warnsveld

De heer Brouwer, psycholoog, schrijft in de NRC van Maandag 9 Mei j.l. op blz.17: "Stel dat een test 0,1% kans heeft op een foutpositieve uitslag".(Dit betekent dat de test een specificiteit heeft van 99,9%, wat erg hoog is) Hierop baseert hij de volgende uitspraken: "Na tien tests is de kans op tenminste één foutpositieve uitslag 10 x 0,1% = 1%, na 50 tests 5% en na 100 tests 10%." Aangezien ik niet weet in hoeverre de redactie van de NRC geïnteresseerd is in dit soort problemen, laat ik het bij de constatering dat dit niet waar kán zijn omdat dit, bij een nog groter aantal tests leidt tot een kans die groter is dan 1, hetgeen natuurlijk onmogelijk is.

Stel dat de kans op tenminste één foutpositieve uitslag = x, de specificiteit van de test = a, en het aantal tests = n, dan zou gelden: x = n . (1 - a). Dit moet zijn:

x = (1 - a tot de macht n). Aangezien a < 1 is ook deze uitdrukking altijd

Dat neemt niet weg dat het betoog van de heer Brouwer met zijn waarschuwing voor meer foutpositieve uitslagen bij meer antidopingtests waar kan zijn, mits het gaat om een situatie waarin de proefpersoon niet ondertussen wél doping is gaan gebruiken...! En dáár zal het in de praktijk wel om gaan.

Dupliek

Hier de dupliek van Bram Brouwer op repliek in het vorige tabblad:

Harry Suykerbuyk, bedankt voor uw reactie. Ik ben het volledig met u eens dat er in het antidopingbeleid veel meer mis is dan ik in dit NRC-artikel beschrijf. In andere publicaties bespreek ik diverse, naar mijn oordeel, misstanden in het antidopingbeleid. In dit NRC-artikel beperkte ik mij echter tot de opmerkingen van Nadal en vooral tot zijn idee dat hij zich met steeds meer dopingtests steeds beter tegen de beschuldigingen kan verdedigen.

A.G. Geerdink uit wansveld, ook u bedankt voor uw reactie. Ze houden mij scherp. In mijn NRC artikel spreekt bewust niet over sensitiviteit, specificiteit, vals negatieven en vals positieven. Dergelijke termen zouden het stuk voor velen onbegrijpelijk maken. Sterker nog, het artikel was waarschijnlijk nooit geplaatst, zodat ik mijn doel voorbij was geschoten. Ik beperkte me daarom tot de kans op een valse beschuldiging (vals positieve), die ik als rekenvoorbeeld op 0,1% (één op duizend) stelde.

Hoe realistisch die 0,1% kans is, kan ik niet beoordelen. Zoals mijn artikel vermeldt worden belangrijke, voor het beoordelen van dopingtests, variabelen niet vrijgegeven. Over de redenen daarvoor kan ik slechts speculeren en dat zal ik hier niet doen. Maar als die variabelen solide tests aantonen (perfecte tests bestaan niet), zou men ze volgens mij graag vrijgeven.

Verder zegt u dat in mijn redenering de kans op een vals positieve test groter dan 1 kan wordt en dat is onmogelijk, zodat mijn betoog onjuist moet zijn. Ik leg uit waarom ze wel juist is en de kans nooit groter wordt dan 1.

Neem een zuivere dobbelsteen. De kans om een zes te gooien is dan één op zes ofwel ~16,67%. Bij een tweede worp is de kans op een zes opnieuw ~16,67%. Hoeveel worpen u ook doet, de kans op een zes blijft steeds ~16,67% en wordt dus nooit groter dan 100% of in kans-termen 1.

Dat wordt anders voor de cumulatieve kans om een zes te gooien. Die is bij één worp 16,67%, maar bij twee onafhankelijke worpen wordt de kans op een zes 16,67% + 16,67% = 33,34% en bij drie worpen komt daar opnieuw 16,67% bij. Bij zes worpen wordt de kans op een zes 6 x ~16,67 = 100%, in kans-termen 1. Dat wil niet zeggen dat bij de eerste zes worpen gegarandeerd een zes wordt gegooid. Daarbij speelt toeval een rol. Maar als met 10.000 worpen het toeval vrijwel wordt uitgesloten, is de kans om een één, twee, drie, vier, vijf of een zes te gooien even groot, zodat de kans op een zes nog steeds 16,67% is en dus niet groter dan 100% of 1. Maar dat bij zoveel worpen met een zuivere dobbelsteen een keer een zes wordt gegooid, is meer dan 100% zeker. Sterker nog, u zult vrijwel zeker circa 1667 keer een zes gooien.

Voor dopingtests geldt hetzelfde. Als de kans dat Nadal bij een test vals beschuldigd wordt gelijk is aan 0,1%, dan is die kans bij een volgende onafhankelijke dopingtest opnieuw 0,1% en dat geldt voor iedere volgende onafhankelijke dopingtest opnieuw. De kans dat Nadal een keer vals beschuldigd wordt neemt dan met iedere nieuwe onafhankelijk dopingtest met 0,1% toe.

Wanneer die kans op een vals beschuldiging valt is een kwestie van toeval. Dat kan bij de 1ste, maar ook bij de 2.000ste test gebeuren. Bij 10.000 tests zullen er statistisch 10 valse beschuldigingen ontstaan, zodat toevalskans dat ten minste één valse beschuldigingen werkelijkheid wordt zeer aannemelijk is. Toch blijft de kans per test 10 op 10.000 ofwel 0,1%. Met andere woorden, als er maar voldoende test worden uitgevoerd wordt de Spanjaard onherroepelijk een keer vals beschuldigd. Maar de kans per test blijft bij iedere test 0,1% en komt dus nooit boven de 100% ofwel 1. (zie ook)

Hoewel ik niet geheel begrijp wat u bedoeld, vermoed ik dat u uitgaat van meerdere onafhankelijke tests binnen één testprocedure. Stel dat de A en de B staal bij een dopingcontrole onafhankelijk van elkaar zijn afgenomen en geanalyseerd, terwijl bij beide analyses is de kans op een valse beschuldiging 0,1% is. Als nu beide analyses positief zijn, dan reduceert de kans op een vals beschuldiging tot 0,1% x 0,1% = 0,01%. Maar dat is wat anders dan waar mijn betoog over gaat. Maar zolang de A en de B staal bij dopingcontroles uit hetzelfde monster komen, in hetzelfde laboratorium worden getest op dezelfde apparatuur en door dezelfde laboranten, kunnen we volgens mij niet over twee onafhankelijke test spreken en dan gaat hiervoor gegeven formule niet op.

***

Copyright © 2006-2020 - Bram Brouwer - All Rights Reserved